Religieus Erfgoed Vlaanderen

Startpagina Religieus erfgoed Erfgoed in breedbeeld
Van wieg tot graf: de zeven sacramenten

Iedereen heeft er wel al van gehoord, maar wat houden de sacramenten precies in, wat is hun diepere betekenis? Het zijn overgangsrituelen die het leven van een christen begeleiden van wieg tot graf. Ze zijn nog altijd populair omdat ze de groepsmentaliteit en de familiebanden versterken, belangrijke levensmomenten duiden en ze een sacraler, significanter karakter geven. In de 12de eeuw werd het aantal door Christus ingestelde riten door de Kerk voor het eerst vastgesteld op zeven. Pas in de 13de eeuw werd duidelijk welke sacramenten hieronder vielen: het doopsel, het vormsel, de eucharistie, de biecht, het huwelijk, het priesterschap en de ziekenzalving. Enkel de eucharistie gaat echter in haar kern terug op een spreken en doen van Jezus zelf...

Erfgoed in breedbeeld
? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ?

Van ooievaars en suikerbonen

Het doopsel, het initiatiesacrament bij uitstek, bestond bij de Joden reeds voor de komst van Jezus. Hij heeft nooit zelf gedoopt, maar gaf wel zijn leerlingen de opdracht hiertoe. Jezus werd zelf gedoopt in de Jordaan door Johannes, bijgenaamd de Doper.

In de eerste eeuwen van onze jaartelling werden mensen op volwassen leeftijd gedoopt. Hieraan ging vanaf het einde van de 2de eeuw een catechumenaat vooraf. Deze driejarige doopvoorbereiding werd voltooid met de volledige onderdompeling in het baptisterium, dat buiten de kerk was gelegen. Vanaf de 4de eeuw groeide de populariteit van de kinderdoop, door Augustinus' koppeling van het doopsel aan de zuivering van de erfzonde. Immers, de ziel van ongedoopte kinderen zou bij sterfte naar het voorgeborchte van de hel gaan en nooit rust kennen. Het doopsel is bovendien een voorwaarde voor het ontvangen van de andere sacramenten. Wanneer men vreesde dat het ongedoopte kind zou sterven, werd een nooddoop uitgevoerd. Men doopte zelfs in de baarmoeder (in utero) door middel van een doopspuit.

Het doopwater symboliseert het leven en heeft zuiverende werking. Voor het tweede Vaticaans concilie (1962-1965) werd gedoopt door overgieting met behulp van een doopschelp, boven een doopvont. De dopeling wordt ook gezalfd met gewijde olie die in een chrismatorium wordt bewaard. De doopkapel was meestal aan de noordelijke kant van de kerk gelegen, in de buurt van de ingang, afgescheiden met een doophek. Dit omdat de heidense mens pas na het doopsel wordt opgenomen in de geloofsgemeenschap.

Aan het doopsel zijn heel wat volksculturele gebruiken gekoppeld, zoals de kerkgang. Door een kind op de wereld te brengen, was de kraamvrouw onrein. Ongeveer tien dagen na de bevalling begaf ze zich met de baker of de vroedvrouw naar de kerk om ritueel gezuiverd te worden met wijwater bij het Maria-altaar. De oplegging van een scapulier(medaille) beschermt het gedoopte kind en zorgt ervoor dat het zal leven naar het voorbeeld van Maria. Sinds het einde van de 19de eeuw worden geboorte en doop bij de gegoede klasse aangekondigd via een geboortekaartje. De verhulling van de seksualiteit en de zwangerschap uit zich in de aanwezigheid van talrijke symbolen, zoals kinderen die uit de kolen komen of door de ooievaar worden gebracht. Een traditioneel doopgeschenk is de doopschotel, tot in de 18de eeuw een grote koperen schotel, die ook als offerschaal kon worden gebruikt. Het uitdelen van suikerbonen of doopsuiker door de peetouders is een algemeen gebruik dat teruggaat tot in de Middeleeuwen. Toen bood men gewone bonen aan om een doopsel te vieren.

De gave Gods

Het vormsel was oorspronkelijk geen apart sacrament. In de 3de eeuw evolueerde de afsluitende zalving bij het doopsel naar een apart ceremonieel, dat in tegenstelling tot het doopsel zelf verplicht door een bisschop werd begeleid. Het belang van de bisschoppelijke bediening leidde vanaf de 11de eeuw tot de ontkoppeling van doopsel en vormsel. Het vormsel is de plechtige hernieuwing van de doopselbeloften en de definitieve opname in de geloofsgemeenschap als 'strijder voor God'. Bij het concilie van Trente (1545-1563) werd de vormselvoorbereiding ingevoerd met de daarbij behorende leidraad, de catechismus. Zo kreeg het vormsel vooral de betekenis van geloofsgetuigenis, het is het geloofssacrament.

In 1910 werd de oorspronkelijke volgorde doopsel (vlak na de geboorte) - vormsel (vanaf zeven jaar) - eucharistie (vanaf tien jaar) verstoord door de vervroeging van de eerste communie naar zeven jaar door paus Pius X. Het vormsel werd voortaan meestal op twaalfjarige leeftijd toegediend en kreeg nu de benaming 'plechtige communie'.

‘Vormen' komt van ‘vromen' of sterk maken en gebeurt door een handoplegging en zalving met het H. Chrisma door de bisschop. Hierbij geeft de H. Geest Zijn gaven aan de vormeling door. Nadien wordt met vormselolie uit het chrismatorium een kruisteken aangebracht op het voorhoofd. Het vormsel is noodzakelijk voor het katholieke huwelijk, de priesterwijding en het peter- of meterschap.

Met de communiefoto's en -prentjes, het zwarte kostuum voor de jongens en de witte jurk met sluier voor de meisjes werd het communiefeest geleidelijk aan belangrijker dan het toedienen van het sacrament.

Het Heilig Sacrament

Samen met het doopsel is de eucharistie - ook wel het Heilig Sacrament - het voornaamste sacrament, het is de voltooiing van de christelijke initiatie. Vandaag begrijpen we hier de volledige misviering onder, die bestaat uit drie delen: de samenkomst van de gelovigen, het eucharistisch gebed en ten slotte de communie.

Het breken van het brood en het uitspreken van een zegengebed over een beker wijn herinneren aan het Laatste Avondmaal van Jezus met zijn leerlingen vooraleer Hij werd gekruisigd en uit de dood verrees. Het verschil met het traditionele joodse paasmaal is Jezus' vergelijking van brood en wijn met zijn lichaam en bloed. De consecratie, het moment waarop de hostie en de wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus, is dan ook de kern van het sacrament, waardoor de eucharistie een offerkarakter krijgt. Het wordt plechtig aangekondigd door het rinkelen van de altaarbel of -schel. De tafelvorm van het altaar verwijst naar de maaltijd van de Heer. De altaarsteen bevat vijf kruisjes die herinneren aan de stigmata of de kruiswonden van Christus.

Tot Vaticanum II ontvingen de gelovigen de hostie rechtstreeks op de tong, geknield op de communiebank, met hun handen onder de communiebankdwaal. Heel wat communiebanken zijn versierd met eucharistische symbolen zoals korenaren (brood) en druiventrossen (wijn).

De Heilige Mis wordt al vanaf de 4de eeuw in een kerk gevierd, al veranderden de vorm en het interieur van dat gebouw wel grondig door de eeuwen heen. Het textiel en de cultusobjecten voor de eredienst worden bewaard in de sacristie. De kelk en het bijbehorend pateen nemen een voorname plaats in onder de meest waardevolle kunstschatten. Ze dragen de wijn en het brood, die tijdens de consecratie Christus' lichaam en bloed zullen worden. De binnenzijde van deze voorwerpen is dan ook altijd in edelmetaal (goud of verguld zilver). Met het kelklepeltje wordt de wijn in de kelk met een weinig water aangelengd als symbolische herinnering aan het water dat uit Christus' zijwonde stroomde. Tijdens de mis worden bij de offerande water en wijn aangebracht in twee ampullen op een schaal. Het gebruik van deze kannetjes gaat terug tot in de 13de eeuw, wanneer het communiceren 'in twee gedaanten' door het volk in onbruik was geraakt en grote (tinnen) kruiken overbodig werden. Sindsdien is dit enkel voor de priester weggelegd.

Na de eredienst worden de overgebleven geconsacreerde hosties bewaard in een ciborie, in feite een pyxis op een hoge voet die de vorm kreeg van een kelk met deksel. Vanaf de 13de eeuw wordt de ciborie ook gebruikt voor het uitdelen van de communie (vanaf Vaticanum II vervangen door de communieschaal) en bewaard in een sacramentstoren of tabernakel (vanaf het einde van de 16de eeuw). Ongeconsacreerde hosties of ouwels worden bijgehouden in een houten of metalen hostiedoos. Ouwelrandjes worden na het bakken door middel van een hostiezeef verwijderd.

Op Sacramentsdag, ontstaan in 1264, wordt het Heilig Lichaam van Christus aanbeden en wordt de Heer gedankt voor zijn offer. Op deze feestdag, het hoogtepunt van het liturgisch jaar, wordt de geconsacreerde hostie meegedragen in een processie. Hiervoor werd het meest kostbare liturgisch vaatwerk ontworpen: de monstrans. 'Monstrare' is immers Latijn voor tonen.

7 maal 70 maal

Voor de katholieke Kerk is de kruisdood van Jezus Christus, die voor de christenen een bevrijding van hun zonden betekende, het bewijs dat Christus het sacrament van de biecht zelf heeft ingesteld. De priester, tijdens de biecht de biechtvader genoemd, vergeeft de zonden in naam van Christus. Hij is gebonden aan het biechtgeheim, ook wel sigillum genoemd.

Er zijn verschillende gradaties van zonden. Door de zondeval van Adam en Eva is elke mens belast met de erfzonde. Via het doopsel ontvangt men genade en vanaf dan gelden enkel de persoonlijke zonden. De doodzonden (moord, abortus, euthanasie, overspel, afgoderij en diefstal) zijn de ergste, want daarbij legt de zondaar de Tien Geboden bewust naast zich neer. Wanneer men een doodzonde heeft opgebiecht, moet men een voorbeeldig leven lijden en na de dood nog zeven jaar in het vagevuur branden voor men in de hemel terechtkomt.

In de 6de eeuw werden de zeven hoofdzonden neergeschreven door Paus Gregorius I. Deze hoofdzonden vormen de basis voor dagelijkse zonden, die door persoonlijke geloofbelijdenis vergeven worden. Het geweten wordt aangewend om de eigen zonden, een ongehoorzaamheid aan God, te bepalen. Hierbij kan een biechtspiegel, met een afbeelding van de zeven hoofdzonden, als hulpmiddel dienen.

Voor het concilie van Trente (1545-1563) werd de biecht niet in een biechtstoel afgenomen, maar knielde de biechteling voor de zittende biechtvader neer, ergens in of buiten de kerk. In het midden van de 16de eeuw werd voorgeschreven een beschot te plaatsen tussen de priester en de biechteling en vanaf ca. 1600 ook tussen de biechteling en diegenen die langs de muur hun beurt afwachtten. Op die manier ontstond de klassieke drieledige biechtstoel. Sinds de 18de eeuw vindt men in heel wat sacristieën omwille van de privacy een biechtstoel voor hardhorigen, veelal inklapbaar of ingewerkt in de sacristiekast om plaats te winnen. Voorstellingen die het meubel versieren, hebben te maken met het boetesacrament, zoals de verloochening van Petrus (met haan), Petrus met de macht om zonden te vergeven (met sleutels), Johannes Nepomucenus, de martelaar van het biechtgeheim, Maria Magdalena als boetelinge, de verloren zoon of de bekendste berouwvolle zondaar uit het Oude Testament, koning David.

Na de biecht kreeg de biechteling een biechtbewijs. Daarnaast kan men ook een aflaat(brief) bekomen door het uitvoeren van gebeds- en boetehandelingen op de boetedagen. Men kon deze echter ook afkopen, een praktijk die door de hervormers in de 16de eeuw sterk werd veroordeeld en later door de katholieke Kerk werd afgewezen.

Vroeger vond de boetepraktijk slechts eenmaal in het leven plaats, maar vanaf de 7de eeuw werd het eenmalig belijden van de zware zonden en de openbare boetedoening vervangen door de biecht, sinds 1215 minstens éénmaal per jaar in de paastijd. Na het opbiechten van de zonden gaf de priester een opdracht tot boetedoening. In de jaren 1960 werd de biechtviering populair, waarbij de persoonlijke belijdenis en absolutie ingebed worden in een gezamenlijke liturgieviering, waarbij alle aanwezigen tegelijk vergiffenis krijgen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is het zondebesef echter afgenomen en bijgevolg werd de biecht hoe langer hoe meer een verwaardloosd sacrament.

Ja, ik wil...

Het huwelijk is van alle tijden. Zo huwde Adam met Eva en ook de Joden kenden het huwelijk al. Vreemd genoeg werd het huwelijk pas in 1274 officieel als sacrament erkend. Het liefdessacrament staat symbool voor de eenheid tussen man en vrouw waarin Gods liefde zichtbaar wordt. Het belangrijkste doel van het christelijk huwelijk is de voortbrenging van kinderen en hun opvoeding tot dienaren Gods in een christelijk gezin. In dat licht is de seksualiteit enkel toegelaten binnen het huwelijk.

Het huwelijk vindt plaats tijdens een eucharistieviering en verloopt via een aantal voorschriften en volgens een vast verloop. Bij ontvangst wordt het bruidspaar met wijwater uit de wijwateremmer besprenkeld. De huwelijksinstemming waarbij de ouders de bruid afstaan aan de bruidegom, gaat aan de belofte van trouw, het uitwisselen van de ringen, het zegenen van de huwelijkskaars en de communie vooraf. Als laatste ontvangt het bruidspaar de huwelijksbijbel.

Vaticanum II (1962-1965) was een belangrijk concilie voor het huwelijkssacrament. Men besloot toen immers om een soepelere en meer open visie na te streven. Zo werd het gemengd huwelijk tussen een gedoopte en ongedoopte toegestaan. Ondanks deze maatregelen kent het huwelijk de sterkste achteruitgang van alle sacramenten; zo waren slechts 60,5% van de huwelijken in 1993 kerkelijke huwelijken.

Er wordt vaak gesproken over de bruiloft, dit is het geheel van volksculturele facetten van het huwelijk. Een voorbeeld hiervan is het uitwisselen van een bruidschat of uitzet, die in de 19de en 20ste eeuw hoofdzakelijk bestond uit linnengoed en kledij.

Geroepen in Gods naam

De priesterwijding is het meest exclusieve sacrament. Het sacrament van de roeping is eenmalig en wordt gegeven aan de celibataire mannen die onderwezen zijn in het scholasticaat, de vorming aan het seminarie. Een priester vertegenwoordigt Christus als hoofd van de kerk en wordt pastoor genoemd wanneer hij een parochie krijgt toegewezen. Eigenlijk waren Jezus of de apostelen, wat ‘zendelingen' betekent, geen echte priesters. De eersten waren de presbyters, oudere wijze mannen die de apostelen bijstonden met de verkondiging van de christelijke leer. Al snel ontstond er een hiërarchie van drie graden: het bisschopsambt, het priesterschap en het diaconaat.

Bij de wijding hoort een handoplegging, een teken van het doorgeven van de innerlijke kracht van de H. Geest, en een wijdingsprefatie. De bisschop wordt gezalfd op het hoofd en de priester op de handen. Tijdens de viering draagt de priester een albe, een wit linnen kleed met lange mouwen. Samen met de stola, de lange band die rond de nek aan de voorzijde van het lichaam afhangt, wordt de albe met een singel om de lenden gebonden. Rond de linkervoorarm draagt de priester een manipel, een verkorte uitvoering van de stola, oorspronkelijk een zweetdoek die later nog slechts een symbolische functie had en die na Vaticanum II (1962-1965) werd afgeschaft. Boven dat alles komt de kazuifel. Die was oorspronkelijk rond met een opening voor het hoofd, naar het voorbeeld van de romeinse mantel, maar toen de versieringen talrijker en de stoffen zwaarder werden, veranderde de vorm naar het model van een klok of vioolkist. Na het tweede Vaticaans concilie keerde men terug naar het oude model en werd de stola boven de kazuifel gedragen. Bij belangrijke plechtigheden wordt een koorkap in plaats van een kazuifel gedragen, een half ronde mantel met rugschild.

Buiten de eredienst was de priester herkenbaar door zijn priesterboordje, een witte gesteven kraag en zijn zwarte soutane die tot op de voeten hing. Na de '60-er jaren werd dit een zwart pak met priesterhoed of een bonnet, een vierzijdig hoofddeksel met opstaande ribben.

De diaken of lekenpriester helpt de priester bij het toedienen van de sacramenten, maar mag de woorden van de consecratie niet uitspreken. Iedere priester is voor zijn wijding trouwens eerst diaken. Deze draagt een dalmatiek, een liturgisch bovenkleed in T-vorm. De subdiaken krijgt een gelijkaardig bovenkleed, dat tuniek wordt genoemd, en oorspronkelijk iets korter is dan de dalmatiek. De liturgische kleuren veranderen doorheen het kerkelijke jaar. Zo is wit feestelijk en wordt het gedragen tijdens de viering in de paas- en kersttijd.

Rust in vrede

De ziekenzalving of het Heilig Oliesel, het sacrament van de genezing, wordt beschouwd als het laatste sacrament van het menselijk leven. Het wordt door een priester toegediend aan de stervende christen, in navolging van wat de apostelen reeds deden. Toch werd dit sacrament pas in de 12de eeuw beschouwd als één van de zeven sacramenten.

In de volksmond heeft men het dikwijls over de berechting. Daarbij trok de priester, vergezeld van de koster, de dokter en een misdienaar of een lid van het broederschap van het Allerheiligste Sacrament in een stoet, met berechtingsbel, -lantaarn en -kruis, naar het sterfhuis om er de ritus te voltrekken, die bestaat uit enkele vaste handelingen.

Met een wijwaterkwast worden eerst de stervende en de sterfkamer met wijwater besprenkeld. Daarna krijgt de zieke de gelegenheid om een laatste biecht te doen, zodat hij in vrede kan heengaan. Vervolgens wordt het viaticum of de laatste communie toegediend, als onderpand van de verrijzenis of het eeuwige leven. De ritus wordt afgesloten met de zalving van het voorhoofd, die gepaard gaat met de handoplegging van de priester. Op dat moment wordt de Heilige Geest over de zieke uitgestort. De hostie en de gezegende olie voor het laatste sacrament worden bewaard in de berechtingspyxis.

Vóór de kerkelijke begrafenis, een eucharistieviering als verzoening tussen God en de overledene, vindt de aflegging plaats, waarbij de ogen van de overledene worden gesloten en het lijk gewassen en aangekleed. De handen worden op de borst gevouwen en daartussen wordt een kruisbeeld of paternoster gestoken.

Vroeger gebeurde dit alles in het sterfhuis van de overledene. Voor het huis werd een rouwvaan geplaatst, om de omwonenden op de hoogte te brengen van het overlijden. Voor adellijke personen wordt een rouwbord geschilderd met de datum van het overlijden (het Latijnse 'obiit' betekent 'hij/zij is gestorven), wapenschild en -spreuk. Na het meedragen in de rouwstoet wordt het bord zes weken boven de toegang van het sterfhuis opgehangen, vooraleer het definitief een plaatsje krijgt in de kerk.

Meer lezen?

Deze tekst is een samenvatting door Jochen Ketels, Laura May en Pauline Neervoort van De sacramenten - van wieg tot graf van Livia Snauwaert uit Doorleefd mysterie, sacramenten en volksdevotie in Groot-Nevele, Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, Gent, 2005.

Dit prachtig geïllustreerd boek kost € 20 en is nog steeds verkrijgbaar op het secretariaat popup van de dienst Erfgoed van het Oost-Vlaams Provinciebestuur.

 

 

 




Identificatie
©2010 CRKC en ICOLEIS | Colofon