|
Zoekbox databank

   

   
|
Startpagina
Behoud en beheer Bewaren
Onderhoud en passieve conservatie
Onderhoud
Voor een goede bewaring is regelmatig onderhoud noodzakelijk. Stof is niet zo onschuldig als het eruit ziet. Het houdt immers vocht vast en vormt hierdoor een voedingsbodem voor schimmels en insecten. Op metaal veroorzaakt het dan weer corrosie. Regelmatig onderhoud betekent in een kerkinterieur niet hetzelfde als in de huiskamer. Verkeerd onderhoud brengt vaak meer schade toe dan het gebrek eraan.
Kerkbesturen kregen over dit onderwerp in het jaar 2000 ‘Schoon Schip, handleiding voor het courant onderhoud van waardevolle kerkinterieurs'. Deze handige map vol praktische tips en andere nuttige brochures kunnen besteld of gratis gedownload worden op de website van Monumentenwacht Vlaanderen. Eveneens aan te raden is de in 2010 vernieuwde brochure 'Kerkelijk textiel behouden en bewaren'.
Enkele vuistregels
- Beperk het gebruik van schoonmaak- en glansproducten. Agressieve middelen en siliconenpreparaten (zuur) geven veel schade. Lijnolie, terpentijnolie en producten die polymeren bevatten, worden onoplosbaar. Indien toch een reinigingsproduct nodig is, kies dan een zo neutraal mogelijk middel (pH 7) en gebruik er zo weinig mogelijk van.
- Gebruik bij voorkeur microvezeldoeken en microvezeldweilen. Zij nemen meer vuil op en verplaatsen het vuil minder dan traditionele doeken. Je hebt dan ook geen reinigingsmiddel nodig. Pluizige stofdoeken of plumeaus blijven bovendien gemakkelijk haken achter houtsplinters en andere oneffenheden. Uitstekende en fijn gesculpteerde onderdelen van een voorwerp kunnen zo losgetrokken worden. Plumeaus maken gemakkelijk krassen en zijn uit den boze.
- Ontdoe de voorwerpen in de kerk van stof, ook op moeilijker bereikbare plaatsen (zoals onder- of achterzijden). Men gebruikt bij het afstoffen het best een zachte kwast waarnaast men een stofzuigermond houdt, zodat het stof zich niet verspreidt in de ruimte. Men kan ook gebruik maken van een kleine handstofzuiger of museumstofzuiger met aparte mondstukjes en regelbare zuigkracht.
- Stof geboende meubelen regelmatig af met een droge doek (bij voorkeur microvezeldoek). Boen niet te vaak (bvb. één keer om de twee jaar). In een te dikke boenlaag blijven stof en vuil kleven en te veel boenwas bevordert oppervlakteschimmel. De oorspronkelijke kleur van houten geboende voorwerpen is vaak bijna nauwelijks nog te raden. Gebruik daarom alleen kleurloze was (bvb. micro- kristallijne was of bijenwas met een klein percentage carnaubawas opgelost in white spirit). Vermijd dat de was zich ophoopt in spleten, in de diepten van het houtsnijwerk en achter ornamenten. Gebruik zeker geen oliën, producten in spuitbussen of met siliconen. Reinig vooraf met zuivere white spirit en wattenproppen (voor moeilijk bereikbare delen zijn oorstaafjes handig) en droog onmiddellijk na met droge watten of propere katoenen doeken. Voor een gelijkmatige verspreiding van de was, is een borstel handig. Breng een dunne laag aan, eerst loodrecht op de nerven van het hout en daarna evenwijdig. Wrijf vervolgens goed uit. Gepolitoerde oppervlakken mogen zeker niet geboend worden!
- Wanneer bij onderhoud blijkt dat er iets mis loopt (bvb. afbladderen van een afwerklaag), moeten de werkzaamheden onmiddellijk gestopt worden en de voorwerpen door een restaurateur behandeld worden. De aangebrachte schade zelf proberen op te lossen, brengt alleen nog meer onherroepelijke schade toe.
- Niet alleen tijdens het onderhoud kan het nodig zijn een specialist te raadplegen. Sommige voorwerpen zijn er te slecht aan toe, te complex of te fragiel om er zelf aan te beginnen.
Passieve conservatie
Conserveren is trachten te behouden wat je hebt. In tegenstelling tot restaureren blijft bij conserveren de toestand van het object onaangetast, maar het krijgt wel de juiste verzorging. Een object moet bewaard kunnen worden in goede omstandigheden met de juiste temperatuur en vochtigheid in de ruimte. Ook licht, ventilatie en nog vele andere omgevingsfactoren zijn van groot belang.
Klimaat
Een kerk is geen museum en de waarden die gelden in musea in verband met temperatuur, relatieve vochtigheid, licht en dergelijke zijn onmogelijk toe te passen in een kerk. Toch spelen deze omgevingsfactoren een niet te onderschatten invloed op kunst- en andere voorwerpen. Grote wisselingen in temperatuur en vooral van relatieve vochtigheid zijn zeer nadelig voor de verschillende interieurelementen.
De kerkverwarming speelt hierbij een grote rol. Vaak worden kerken verwarmd door het inblazen van warme lucht. Bij hoge temperaturen en grote uitblaassnelheden wordt de lucht meestal niet homogeen verwarmd. Bij 18 °C (thermostaat) kunnen er bovenaan in de kerk temperaturen optreden tot boven de 30°C. Dit kan enkel nagegaan worden met metingen op verschillende hoogten. Wanneer de temperatuur hoog oploopt, zakt de relatieve vochtigheid dramatisch. Dit leidt meestal tot onherstelbare schade bij de verschillende interieurelementen (bvb. barsten in hout, afschilferende verflagen enz.). Luchtinblaassystemen kunnen tot tocht leiden door hoge turbulenties en luchtsnelheden. Dit geeft een oncomfortabel gevoel, ook bij voldoende hoge temperaturen.
Om exacte aanbevelingen te kunnen geven, moet eerst gedurende een lange periode de lokale situatie (op verschillende plaatsen en hoogten in de kerk) in kaart worden gebracht. Daarna kan beslist worden of aanpassingen noodzakelijk zijn. Hiervoor moet een specialist ter zake worden aangesteld.
Enkele opmerkingen en aanbevelingen:
- De relatieve vochtigheid neemt af bij een hogere temperatuur (of verwarming). De relatieve vochtigheid bedraagt best niet minder dan 45% om onder meer scheurvorming in het hout te vermijden. Bij waarden hoger dan 75% neemt de kans op schimmelvorming erg toe. Aangezien ook de schommelingen voor veel schade zorgen, mag per dag de relatieve vochtigheid maximum 10% verschillen. Schommelingen over een langere periode zijn minder schadelijk en mogen dus groter zijn. De kerk in de winter verluchten is vaak minder schadelijk dan in de zomer, aangezien de buitenlucht in de winter minder vocht bevat.
- Het is aan te raden de verwarming zo in te stellen dat het ganse jaar door een basistemperatuur gewaarborgd is tussen 5 en 10°C. Bij vieringen kan de temperatuur langzaam (maximum 2°C per uur) verhoogd worden tot 16°C. Bij een basistemperatuur vermindert de kans op condens en vermindert de koude straling van de muren en zuilen (= de oppervlaktetemperaturen verhogen), wat het comfort voor de mensen doet toenemen.
- Voorzetbeglazing kan door een vermindering van de koudeval en een verhoging van de oppervlaktetemperatuur het comfort doen toenemen.
- Laat de roosters en kanalen van de warme luchtinstallaties regelmatig reinigen. Zorg ook voor filters om zo veel mogelijk stof en vuil tegen te houden en laat ze regelmatig vervangen.
Licht
Om voorwerpen te kunnen bekijken, hebben we licht nodig. Licht bestaat uit stralingsenergie, waaronder Ultra Violet-straling, zichtbaar licht en Infra Rood-straling. Voor waarneming hebben we enkel zichtbaar licht nodig en geen IR- en UV-straling. Deze laatsten veroorzaken echter veel schade.
IR-straling zorgt voor warmteontwikkeling. Chemische afbraakprocessen worden hierdoor versneld en bovendien veroorzaakt de opwarming veranderingen in de relatieve vochtigheid. Dit heeft spanningen en mechanische vervormingen in materialen tot gevolg. UV-stralen zijn het meest schadelijk voor de degradatie van materialen. De grootste hoeveelheid UV-straling is aanwezig in daglicht. Ook wanneer er gordijnen hangen, komen nog aanzienlijke hoeveelheden ultraviolet licht binnen. Noorderlicht bevat in verhouding meer UV-straling dan zonlicht aan de zuidzijde. Dat laatste zal dan wel meer warmteontwikkeling (IR-straling) veroorzaken.
Bij lichtschade zijn twee factoren belangrijk: de verlichtingssterkte en de tijd. 10 uur belichten bij 500 lux geeft bijvoorbeeld evenveel schade als 100 uur belichten bij 50 lux. Lux is de hoeveelheid lichtstroom die je meet per oppervlakte-eenheid. Deze kan zowel van een directe of indirecte lichtbron komen. Maatregelen om het licht te beperken, kunnen zich dus richten op verkorting van de verlichtingsduur en / of de verlaging van de lichtsterkte. Ook de aard of samenstelling van de lichtbron kan bijgestuurd worden.
Enkele aanbevelingen:
- Korter belichten kan door een tijdschakelaar aan te brengen. Men kan gebruik maken van contactmatten of bewegingssensoren.
- De lichtsterkte kan verminderd worden door het vergroten van de afstand van de lichtbron tot het object.
- Kies bij kunstlicht voor een UV-arme lichtbron (eventueel kan een UV-filter voor een kunstlichtbron geplaatst worden).
- Gebruik ook geen lampen die veel IR-straling uitstralen. Gloeilampen geven de meeste warmte af, maar stralen dan weer weinig UV uit.
- Probeer de UV- en IR-straling zoveel mogelijk elimineren en het licht te beperken, zeker in bergruimten en sacristie. De ramen kunnen soms bedekt worden met UV-werende plaatmaterialen en films. Een goede folie elimineert tot 99% van de schadelijke straling. De levensduur van dergelijke materialen is echter niet onbegrensd. Een zonwering is niet noodzakelijk een UV-wering. Sommige "populaire" zonweringen laten een groot gedeelte van de UV-straling door.
- Bescherm zeker de erg gevoelige voorwerpen zoals textiel, papier en aquarel. Weinig gevoelige materialen, zoals metaal, kunnen meer licht verdragen. Objecten uit been of ivoor worden het best naar een lichtarme ruimte verplaatst (in een donkere ruimte gaan ivoren voorwerpen vergelen, beperkte blootstelling aan licht kan dit voorkomen).
|