Religieus Erfgoed Vlaanderen

Startpagina Religieus erfgoed Wat is religieus erfgoed?
Vernieuwing van het kerkinterieur na het tweede Vaticaans concilie

De twee wereldoorlogen zorgden voor een verregaande democratisering van de westerse samenleving. De positie van de Kerk was niet langer vanzelfsprekend en moest noodgedwongen worden herdacht. Het tweede Vaticaans concilie (1962-1965), ook wel bekend onder de Latijnse naam Vaticanum II, stond dan ook in het teken van de modernisering van de Kerk. De invloed van deze kerkvergadering op de liturgie en bijgevolg ook op het kerkgebouw en de aankleding daarvan was enorm.

Nieuwe Theologie

Volgens Paus Johannes XXIII (1958-1963), die het concilie op 11 oktober 1962 had geopend, en de vertegenwoordigers van de Nieuwe Theologie was het dringend nodig om de Kerk 'bij de tijd te brengen' en om de liturgie, de catechese en de diaconie te herbronnen. Door opnieuw dichter bij haar oorsprong - de Bijbel - te komen, zou de geloofwaardigheid van de Kerk groeien, voorspelden de aanhangers van deze theologische beweging.

Toen Paus Paulus VI (1963-1978) op 8 december 1965 het concilie afsloot, bleek dat de concilievaders enkele verregaande besluiten hadden genomen, die niet alleen verstrekkende gevolgen zouden hebben voor de liturgie, maar ook voor het kerkgebouw waarin die liturgie wordt voltrokken, voor de inrichting en aankleding ervan en voor de religieuze objecten die tijdens de eredienst worden gebruikt.

De vernieuwde liturgie trachtte de gelovigen dichter bij de geloofspraktijk te betrekken door hun actieve deelname te stimuleren. De Kerk beschouwde de liturgie niet langer het werk van ambtsdragers alleen, maar van heel het godsvolk. Concreet werd de volkstaal ingevoerd als vertaling van het Latijn en liet men de priester de mis leiden met zijn gezicht naar de gelovigen. Ook het kerkinterieur werd herdacht in functie van de nieuwe liturgie.

Aanpassing kerkinterieur

Om de gemeenschappelijke viering te bevorderen, werd het altaar, waarop de maaltijd van de Heer wordt gevierd, dichter bij het volk gebracht. Dit dienstaltaar of celebratiealtaar bevindt zich in tegenstelling tot het oude hoofdaltaar of hoogaltaar op het zelfde niveau als de gelovigen. Het hoofdaltaar tegen de oostwand van het koor, waaraan de priester voorheen met de rug naar het volk de mis opdroeg, was niet langer het liturgisch centrum van de kerk. Wanneer er geen afzonderlijk sacramentsaltaar in de kerk aanwezig is, fungeert het oude hoofdaltaar vandaag veelal als sacramentsaltaar. In het tabernakel dat daarop staat, worden de geconsacreerde of gewijde hosties als een heilige reserve voor de zieken bewaard, alsook voor de aanbidding van Christus onder de gedaante van brood (= het heilig sacrament).

Door de verschuiving van het liturgisch centrum verkleinde de afstand tussen de priester en de gelovigen. De vernieuwde communie had dezelfde doelstelling. Tot 1965 werd de H. Communie uitsluitend door de priester aan de kerkgangers uitgereikt, die knielden aan de communiebank. Dit kerkmeubel vormde een scheiding tussen het hoogkoor en het kerkschip. De gelovigen hielden hun handen gevouwen onder de communiebankdwaal, een wit versierd doek, dat een eventueel vallende hostie kon opvangen. Ze ontvingen de hostie direct op de tong. Bij de huidige handcommunie ontvangen de kerkgangers de H. Communie rechtstaand, op de linkerhand. De hostie wordt door de kerkganger aangeraakt en met de rechterhand naar de mond gebracht. Vandaag mogen ook leken de H. Communie uitreiken. Daarvoor werd de communieschaal gecreëerd, niet zelden in de vorm van een vis om te herinneren aan het bijbelverhaal van de vermenigvuldiging van vijf broden en twee vissen.

Veel communiebanken, dikwijls rijkelijk versierd met symbolen van de eucharistie, werden na Vaticanum II gedeeltelijk of volledig verwijderd omdat ze in strijd geacht werden met deze nieuwe vorm van communiceren. Niet zelden werden delen van de communiebank verwerkt in het nieuwe dienstaltaar. Twee vliegen in één klap, als het ware...

Ook andere kerkmeubelen die een fysieke scheiding vormden tussen de priester en de gelovigen, raakten in onbruik. Gods woord wordt niet langer verkondigd vanop een monumentale preekstoel, die de berg van waarop Jezus predikte, symboliseert, maar van achter een eenvoudige lezenaar, die naast het dienstaltaar staat opgesteld. De biechtstoel, die ontstond door het kerkelijk voorschrift dat er een beschot moest geplaatst worden tussen de priester en de biechteling en tussen de biechteling en degenen die langs de muur hun beurt afwachtten, werd minder snel opzij geschoven omdat het biechthoren per definitie een privékwestie is. Dat heel wat biechtstoelen niet meer worden gebruikt, is eerder het gevolg van de terugloop van de kerkgang.

In veel kerken heeft men het oude doopvont verwijderd uit de doopkapel en deze naar voren gehaald, dichter bij het liturgisch centrum. In sommige gevallen liet men het oude doopvont staan en schafte men een nieuw, makkelijker verplaatsbaar model aan voor de doopviering. De doopkapel, afgesloten door een doophek, verloor hierdoor zijn oorspronkelijke functie en wordt nu vaak gebruikt als bergplaats of bezinningsruimte. Het hoogkoor, dat zijn functie als liturgisch centrum kwijt is, heeft op bepaalde plaatsen de functie van de doopkapel overgenomen. Nochtans heeft de positionering van de doopkapel dichtbij de hoofdingang een symbolische betekenis. Door de doop treedt de dopeling immers binnen in de gemeenschap van de Kerk. Omdat het noorden wordt geassocieerd met donkerte en koude, staat de noordzijde van de kerk symbool voor het heidendom. De doopkapel ligt dan ook vaak aan de linkerzijde van de westtoegang. Het nog ongedoopte 'heidense' kind wordt er bevrijd van alle zonden vooraleer in de geloofsgemeenschap te worden opgenomen.

 
 

Tweede beeldenstorm

Niet alleen de liturgische vernieuwingen hebben het kerkinterieur na het tweede Vaticaans concilie grondig veranderd. Ook de hang naar een sterke versobering in het kader van het modernisme speelde hierbij een belangrijke rol. In Vlaanderen zette die invloed zich pas echt door in de jaren 1970. Nieuwe kerkgebouwen die na Vaticanum II werden opgetrokken, werden moeiteloos op de voorgestelde versobering afgestemd.

Veel moeilijker verliep deze versobering in oudere kerken, die reeds van een rijke kunstige aankleding waren voorzien. Vooral de talrijke kleurrijke neogotische kerken, die in de tweede helft van de 19de en het begin van de 20ste eeuw waren gebouwd als een totaalkunstwerk, vielen ten prooi aan een tweede beeldenstorm. De aandacht voor de modernisering werd immers al snel opgevat als een impliciete veroordeling van het traditionalisme, dat de historische bouwstijlen en de gotiek in het bijzonder navolgde. Het succes van de neogotiek in de periode 1850-1920 is te verklaren door de associatie met het hoogtepunt van de macht van de Kerk ten tijde van de gotiek.

De tweede beeldenstorm uitte zich in het volledig wit schilderen van polychrome kerkinterieurs en het verwijderen, overschilderen of decaperen van allerlei neogotisch houtsnij- en beeldhouwwerk. Gebrandschilderde glasramen werden door blank glas of eigentijdse abstracte composities vervangen en veelkleurige vloeren uitgebroken om plaats te maken voor een egale, rustige vloerbedekking. In de plaats van de oude liturgische vaten kwamen moderne exemplaren en de kleding van priesters en medebedienaars werd versoberd. Sommige onderdelen van de paramenten, de liturgische gewaden met hun toebehoren, werden afgeschaft, zoals de manipel, een korte stola die de priester over de linkervoorarm droeg, over de albe. De vormgeving kazuifel, het bovenkleed van de priester, keerde terug naar het oorspronkelijke klokmodel, gebaseerd op de Romeinse toga, een ronde mantel zonder mouwen met een opening voor het hoofd. De stoffen werden lichter en minder versierd.

   
                             

Sinds de jaren 1980 is er een kentering gekomen, die deze trend langzaam maar zeker een halt heeft toegeroepen. Het respect voor de neogotiek is ondertussen gegroeid en steeds meer stemmen gaan op om terug te keren naar de vroegere aankleding van de gebedshuizen. Bij interieurrestauraties wordt de polychrome beschildering steeds vaker in ere hersteld, polychrome gipsen beelden worden van de zolder of van het doksaal gehaald, communiebanken worden teruggeplaatst en moderne altaartafels en lezenaars uit de jaren zestig en zeventig worden vervangen door een dienstaltaar dat beter aansluit bij de stijl van de rest van het interieur.

Teloorgang vertrouwdheid met het religieus erfgoed

Ondanks de drastische heroriëntering van de Kerk, had het tweede Vaticaans concilie niet het gewenste resultaat. De modernisering van de liturgie en van het kerkgebouw kon de teruglopende geloofspraktijk niet afremmen en is er volgens sommigen zelfs mede de oorzaak van. In het seculiere westen met zijn sterk vergrijzende religieuze en geloofsgemeenschappen zijn nog slechts weinigen vertrouwd met het religieus erfgoed. Heel wat aspecten van de volksdevotie gaan verloren. Processies gaan steeds minder uit, er is geen sprake meer van massale heiligenverering, broederschappen en congregaties bloeden dood, relieken worden verkocht of in een stoffige doos opgeborgen en kapelletjes staan er verkommerd bij. In onbruik geraakte religieuze objecten, zoals processievaandels, ratels, berechtingslantaarns, canonborden en historische paramenten vallen snel ten prooi aan verwaarlozing, verval, misbruik of vernietiging.

   

Onbekend maakt onbemind. Erfgoed begrijpen en herkennen ligt aan de basis van het verdere behoud ervan. Het religieus erfgoed is dan ook bijzonder kwetsbaar geworden. Sensibilisering en betekenisoverdracht behoren dan ook tot de belangrijkste opdrachten van de erfgoedzorgers van vandaag.




Identificatie
©2010 CRKC en ICOLEIS | Colofon