Plaats: Antwerpen Datum: 1625-1626 Aantal exemplaren: 1 Beschrijving/iconografie: Maria wordt ten hemel opgenomen, tronend op een wolk en omringd door een werveling van engelen. Bovenaan links maken twee engelen aanstalten om haar met een bloemenkrans te bekronen. Beneden hebben de twaalf apostelen zich rond het lege graf geschaard. Enkelen staren Maria na, terwijl de anderen de lijkwade bekijken die door de heilige vrouwen in hun gezelschap wordt vastgehouden.
De iconografie van dit thema gaat niet op een bijbelse passage terug, maar wel op een kerkelijke traditie die zich vormde op basis van apocriefen en teksten van kerkelijke schrijvers en die het thema al in de middeleeuwen bestaansrecht verleende. In de 16de eeuw was de hemelvaart van Maria uitgegroeid tot het hoofdthema van talrijke aan de Heilige Maagd toegewijde kerken. Zo ook in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekerk; Frans Floris had in 1561-1564 voor het hoogaltaar een altaarstuk geleverd waarvan het middenpaneel de hemelvaart van Maria uitbeeldde. Het drieluik was bij de sluiting van de kerk in 1581 weggehaald en na het herstel van de katholieke eredienst in Antwerpen vervangen door de Aanbidding der herders, een paneel dat Frans Floris in 1568 voor het Hoveniersaltaar in dezelfde kerk had uitgevoerd.
Pas omstreeks 1611 ging men over tot de bestelling van een nieuw altaarstuk. Op 24 maart van dat jaar legde Otto van Veen aan het kapittel een thans verloren ontwerp voor dat de kroning van Maria uitbeeldde. Kort daarna, op 22 april, bood Rubens twee schetsen aan, waarvan er één, De Hemelvaart en kroning van Maria, bewaard wordt in de Ermitage te Sint-Petersburg. De tweede is verloren gegaan, maar staat in verband met een tekening in de Albertina te Wenen en met een omstreeks 1613 uitgevoerd schilderij in het Kunsthistorisches Museum te Wenen, die beide de hemelvaart van Maria als onderwerp hebben. Hoewel Rubens dit schilderij bestemd had voor het hoogaltaar van de kathedraal, werd het daar nooit opgesteld.
Op 16 februari 1618 toonde Rubens opnieuw twee modelli aan het kapittel, die waarschijnlijk niet alleen een ontwerp boden voor het altaarstuk, maar ook voor het altaar zelf. Op 29 mei van dat jaar legden ook de beeldhouwers Robrecht en Jan de Nole een volplastisch model voor van het hoogaltaar, vervaardigd naar Rubens' ontwerp. Drie jaar later ondertekenden de gebroeders De Nole een overeenkomst voor de uitvoering van de altaarconstructie, die pas in 1632 voltooid werd.
Inmiddels had Johannes del Rio, deken van de kathedraal, van het kapittel de toestemming verkregen om zich te laten begraven aan de ingang van de noordelijke kooromgang. In ruil daarvoor zou hij de kosten van het schilderij op zich nemen. Hiervoor sloot hij op 12 november 1619 een contract met Rubens. De kunstenaar voerde het altaarstuk in 1625-1626 uit naar een ontwerpschets die momenteel in het Mauritshuis te 's-Gravenhage bewaard wordt. Deze realisatie vond grotendeels plaats in de kerk zelf, waar het schilderij op het toen nog onvoltooide hoogaltaar werd geplaatst. Zo kwam men tot de vaststelling dat het paneel te klein was en dat tevens de belichting in het hoogkoor te wensen overliet. Hierop werd het paneel verbreed in Rubens' atelier en werd het glasraam verwijderd dat Willem van Berchem en zijn vrouw Sapientia Roggemans in 1391 in een venster van het hoogkoor hadden laten plaatsen. Op 30 september 1626 ontving Rubens 1000 gulden vanwege de erfgenamen van deken Del Rio († 1624) en op 10 maart werd hem de resterende 500 gulden van het afgesproken honorarium uitbetaald. Eén van de belangrijkste wijzigingen die de kunstenaar aanbracht ten opzichte van voornoemd ontwerp betreft de vrouwenfiguur in het midden achter de sarcofaag. Rubens heeft haar de gelaatstrekken gegeven van zijn vrouw Isabella Brant, die op 20 juni 1626 overleed, toen het schilderij zijn voltooiing naderde.
De gravure die Adriaan Lommelin van het hoogaltaar maakte, illustreert hoezeer de iconografie van altaar en schilderij met elkaar verbonden waren en samen deel uitmaakten van één concept: in de bekroning van de altaarconstructie was de Heilige Drievuldigheid voorgesteld met Christus, die aanstalten maakt om Maria te bekronen, terwijl twee engelen links en rechts van hem zich klaarhouden om haar te verwelkomen. Het altaarstuk kan bovendien beschouwd worden als een onderdeel van een cyclus waartoe ook de voorstelling van de dood van Maria, die Abraham Matthyssens in 1633 voor de achterzijde van het hoogaltaar leverde, en het 1647 gedateerde koepelschilderij van Cornelis Schut met de hemelvaart van Maria behoren. Samen behandelen deze monumentale werken de dood, de opstanding der doden, de hemelvaart en de nakende bekroning van Maria in de hemel en vormen ze een barok eerbetoon aan de patrones van de kathedraal, in de geest van de triomfantelijke Contrareformatie. Vervaardiger: Rubens, Peter Paul (1577-1640) | AAT/RKD: 68737 Période: 1625-1649 | Omschrijving: 1625-1649 | Opmerking: tweede kwart 17de eeuw Stijl: barok | AATtermnummer: 21147 Materiaal: olieverf, eikenhout Techniek: schilderen Afmeting: hoogte 490 cm, breedte 325 cm, diepte cm, diameter cm